gert van den brink maartje kok geloofwaardig spreken paulien vervoorn

Gert van den Brink: ‘Ik ben geen natuurtalent’

De enorme houten boekenkast van Gert van den Brink (44), ruim 8 jaar dominee van de Hersteld Hervormde Kerk in Rotterdam Kralingse Veer, is gevuld met allerlei boeken over theologie, pastoraat en filosofie. Maar er ligt ook een klein briefje, waarop met grote letters geschreven staat: ‘Beste dominee, ik voel me al veel beter na u preek.’ Dit kreeg hij ooit in zijn handen gedrukt door een 8-jarig meisje. Wie is Gert van den Brink? Hoe bereidt hij zijn preken voor? En wat drijft hem?

 

Vertel eens iets over je theologiestudie.

Tijdens mijn theologiestudie zat ik erg op het mentale niveau, waar ik overigens nog steeds van houd. Maar toch ben ik mij in de loop van de jaren meer op het contact met mensen gaan oriënteren. Op de gebrokenheid en beperkingen die wij als mensen kunnen hebben, maar ook de geestelijke tocht hierin. Vroeger dacht ik dat ik niet goed zou zijn in pastoraat, omdat ik niet iemand ben die primair reageert. Maar dat viel mee. Ik merk dat analyseren en meedenken mensen ontzettend kan helpen.

 

Welke invloed op je preken heeft die ontwikkeling in je interesse gehad?

Ik weet nog dat ik als kandidaat een sterke scheiding maakte tussen preek en pastoraat. De prediking zag ik als robuuste verkondiging. Nu probeer ik ze meer op elkaar te betrekken door in de preek pastorale punten te benoemen die ik een-op-een-gesprek niet zou kunnen zeggen, omdat het dan te confronterend zou zijn. Mensen passen zulke punten zelf wel toe; dat merk ik aan de reacties die ik na afloop krijg.

 

Welke preek heeft indruk gemaakt op jou als jonge jongen? Waarom?

Dat is een preek uit mijn studententijd. Ik studeerde toen in Utrecht en er was daar een clubje dat op donderdagen samenkwam. Ik ging erheen met een vriend, en we waren na de dienst allebei met stomheid geslagen. We fietsten naar het station terug en hebben heel de route geen woord gezegd. Het raakte ons ontzettend diep. Al weet ik niet meer waar het over ging.

 

Wat raakte je toen?

Die man wist duidelijk waar hij het over had en hij maakte op een goede manier een zelfverzekerde indruk op mij. Ik dacht: die man wil ik wel geloven. Als ik er nu over nadenk, was het de combinatie van ethos, pathos en logos.

 

Is die combinatie van essentieel belang bij het preken?

Ja, ethos, pathos en logos, – alle drie. Als je er eentje niet hebt, is de preek mislukt. Ik moet denken aan een anekdote over de atheïst David Hume die naar een preek van George Whitefield ging luisteren. Iemand vroeg aan hem: ‘Maar jij gelooft toch helemaal niet?’ Hume antwoordde toen: ‘Nee, ik geloof het niet, maar hijzelf gelooft er wel in!’

 

Horen mensen dat bij mij ook? Mensen moeten niet denken: medicijnmeester, genees uzelf. Het gaat om betrouwbaarheid. Ik ben niet snel bang confronterende dingen te zeggen.

 

De preek waar ik door geraakt werd had véél pathos. Voor mijzelf zoek ik daarin naar een balans. In mijn eigen preken ligt er allereerst nadruk op de logos. Dat vind ik mijn taak als predikant. Een profeet zegt niet ‘Alzo zeg ik’, maar ‘Alzo zegt de Heere’. Ik moet de boodschap van God doorgeven en dat moet ik zeker doen op een authentieke manier. Dat gaat over ethos. Maar als je geen logos hebt, komt de nadruk op de vorm te liggen en niet meer op de inhoud.

 

Hoe zou je deze zin afmaken? Ik preek omdat …

Toen ik met mijn opleiding begon, had ik een diepe overtuiging. Ik dacht: ik moet dit doen, ik kan niet anders. Ik deed eerst de studie diergeneeskunde en ben daarmee gestopt om theologie te gaan doen. Er staat in Jeremia 20:9 dat Jeremia probeerde te zwijgen tegen het volk, maar het was als een vuur dat brandde, wat ervoor zorgde dat hij wel moést spreken. Dat gevoel had ik toen ook sterk. Niet elke zondag is het nu zo dat ik diezelfde kracht voel. Maar dat hoeft ook niet. Het is wel een motortje dat altijd draait op de achtergrond. Ik preek omdat ik verlang dat mensen tot geloof in Christus komen.

 

Als je kijkt naar je eerste preken en je laatste preken, welke verandering is dan te zien? En hoe komt dat?  

Ik zie mijzelf als spreker niet als een natuurtalent. Dus áls er verschil is, is het het verschil in ervaring. Ik geef nu aandacht aan de retorische kant van mijn preken door voortdurend te reflecteren op de vraag: hoe het is om mijn preek te horen? Het gaat niet alleen om de boodschap die ik zénd, maar ik vraag mij ook af of het mensen lukt om mijn boodschap te ontvángen.

 

Als ik terugkijk op de achterliggende jaren, ben ik er steeds meer van overtuigd geraakt dat de preek pas gebeurt op het moment dat ik préék en niet daarvoor. De voorbereiding vind ik heel belangrijk, maar het gebeurt op het moment dat ik de preek houd. Preken is een gebeurtenis. Ik weet: mijn schets is goed, maar op de preekstoel kijk ik de mensen in de ogen en dán gebeurt het. Het voordeel om professioneel te zijn, na jaren preken, is precies dit. Als je onzeker en onervaren bent, klem je je vast aan je voorbereiding, en lepel je je preek op.

 

Als je jezelf in drie woorden zou moeten omschrijven als dominee, welke woorden zouden dat zijn?

Gestructureerd, radicaal, gunnend.

Ik gun mensen de zaligheid in Christus. Tim Keller zegt: “Als je preekt moet je van twee dingen houden: van het Woord van God en van mensen.” Er zijn te veel dominees die niet lijken te houden van mensen. Dat uit zich bijvoorbeeld in een voorwaardelijk evangelie, dat je aan een voorwaarde moet voldoen om het werkelijke evangelie te horen. Ik probeer die dingen te combineren: ik gun het mensen, maar wil ze het ook duidelijk maken hoe ze daar kunnen komen door helder te zijn.

 

Hoe bereid jij je preken voor?

Ik schrijf vaak vier vragen op mijn papier.

1. So what?

Ik accepteer dat mijn toehoorders niet altijd bij voorbaat enthousiast in de bank zitten. Ze kunnen een houding hebben van ik-zit-hier-wel-maar-maak-mij-duidelijk-waarom-dit-Bijbelgedeelte-relevant-is-voor-mij. Met deze vragen begin ik meestal ook in mijn preek.

2. Wat staat er?

Dit gaat over exegese, waarin ik aansluit op de relevantie.

3. Ja, maar?

Dit zijn de tegenwerpingen. Deze twee woordjes zitten letterlijk in bijna elke preek. De tegenwerpingen kunnen op intellectueel of op gedragsniveau plaatsvinden. Eigenlijk zit niemand echt op verandering te wachten.

4. Wat nu?

Ik hoop dan dat ik de bezwaren heb kunnen wegnemen. Het gaat er niet om dat we door een preek alleen maar over iets nadenken, maar ook iets dóén. De vraag is wat ze er morgen mee kunnen. Er komt dus een praktische consequentie. Als dít de boodschap is, wat doe jij dan morgen?

 

Wat is de rol van de Heilige Geest in de voorbereiding?

Het gebed onder aan de kansel is altijd het gebed om de Geest én het vertrouwen dat de Geest de preek gaat gebruiken. Ik zie de voorbereiding als noeste arbeid. In de achterliggende jaren heb ik ervaren dat de Geest ook dát gebruikt. Ik houd van Gods Woord én van mensen en dat helpt mij om door te gaan en om mij voor en tijdens de preek in te spannen. Ik zal nooit denken: ik ben professional, zondag komt het wel goed. Ik weet heel goed dat mijn woorden mensen nooit van dood levend maken. Het is mijn taak en roeping om te verwachten dat mijn preek wat uitwerkt. Dat is mijn plicht. Want ik weet héél goed dat ík het niet doen kan. Het is een verassing dat er toch opeens een doorbraak komt van de Heilige Geest en Woord en Geest samen werken.

 

In de IKEA-structuur van Geloofwaardig Spreken staat de A voor het appel of de activerende afsluiting. Er staat een video van jou online over een oproep tot het geloof en het onvermogen van de mens. Hoe kleurt dit de afsluiting van jouw preken?

In de Dordtse Leerregels staat: ‘Door de vermaning wordt de genade meegedeeld’ (DL, III,IV,17). De vermaning staat voor aansporing en het appel. Je hebt het zintuigelijke, waarneembare niveau van de prediking en het onzichtbare niveau van Gods genade. Hoe die twee samenhangen weet God beter dan wij, maar Hij belooft dat ze samenhangen. Door het appel wordt Gods genade meegedeeld. Het heeft zin om mensen op te roepen en een appel te doen.

Op het papiertje van mijn preekschets schrijf ik vaak twee woorden: focus en functie. Met de focus bedoel ik: kan ik in één zin zeggen waar de preek over gaat? En met functie: wat doet deze preek, verandert deze preek de toehoorder?’ Wij zijn in de gereformeerde gezindte te vaak al tevreden als er een focus is. Maar wat is de functie dan? Mensen weten vaak niet wat ze ermee aanmoeten. We zijn met al onze bevinding toch heel cognitief ingesteld en de vraag: ‘als je deze preek gelooft, gaat dat je leven veranderen, maar hoe dan?’ wordt nauwelijks gesteld of beantwoord. Kortom, het appel is essentieel omdat we niet wíllen veranderen, maar het appel zet ons in beweging en laat ons voelen dat er geen geloof is zonder bekering.

 

Welke boeken over preken inspireren jou?

 

Welke tips wil je andere sprekers meegeven? 

1. Maak jezelf de retorica eigen. Ik noemde ethos, pathos en logos en focus en functie. Als je je die dingen eigen maakt, zit je al een heel eind in de goede richting. Maar daar heb je ook je handen al vol aan.

2. Geloof in de kracht van Gods Woord. Anders houd je het niet vol. Als prediker hoef je uiteindelijk alleen maar te vertellen wat de Heilige Geest met het Woord wil zeggen.

 

Deze gastblog is geschreven door Maartje Kok. Maartje studeert Godsdienst Pastoraal werk en houdt van woorden en beelden

 

 

Tip: Meer weten over ethos, pathos en logos? Bekijk onderstaande video. 

mm
Paulien Vervoorn
paulien@geloofwaardigspreken.nl

Spreker, trainer en eigenaar van Geloofwaardig Spreken: trainingen voor een kerk met impact.

Nog geen reacties

Plaats een reactie

Wil jij steengoed preken?

Laat je gegevens achter. Je ontvangt dan binnen tien minuten de checklist in je mailbox. De komende dagen ontvang je als extraatje een blog en een video die je helpen om een steengoede preek te maken.

Ik ben uiteraard zuinig op je gegevens en deel ze niet met anderen. Beloofd.